Dutch Grammar Verbs

Tegenwoordige tijd Present tense

Zoek altijd eerst de stam of de ik-vorm van het werkwoord.
Die kun je vinden door van het hele werkwoord –en of –n af te halen.
First of all look for the stem or the I form of the verb.
You can find it by taking away –en or –n at the end of the verb.

Voorbeeld:
noemen (call) - ik noem
werken (work) - ik werk
koken (cook) - ik kook
rusten (rest) - ik rust
lopen (walk) - ik loop

Let vooral op dat de klank hetzelfde blijft.
Make sure the sound stays the same.

lopen (walk) - loop anders staat er lop
laten (leave) - laat anders staat er lat
spelen (play) - speel anders staat er spel
gaan (go) - ga Twee a’s op het einde mag niet!

Let er op dat de stam niet op een v of een z eindigt.
De laatste letter van de stam moet veranderen in een f of een s.
Make sure that the last letter of the stem doesn’t end on a v or a z.
The last letter of the stem has to change into an f or an s.

wrijven (rub) - wrijf
verhuizen (move) - verhuis
geven (give) - geef
lezen (read) - lees

Let op als er twee gelijke medeklinkers naast elkaar staan voor de –en van de infinitief.
Om de stam te vinden moet er dan ook nog één medeklinker af.
If there are two identical consonant before the –en of the infinitive, one of the consonants has to be taken away.

hebben (have) - heb willen (want) - wil
opbellen (phone) - bel op schoppen (kick) - schop
missen (miss) - mis bidden (pray) - bid
oppassen (take care of) - pas op blaffen (bark) - blaf











Stam + t (ik-vorm + t)

Bij gebruik van de 2e of 3e persoon enkelvoud, dus bij jij, je, u, hij, zij, ze en het: altijd stam + t.
2nd or 3rd person singular: stem + t.

Voorbeeld:
jij hoort you hear
je rust you rest
hij werkt he works
het brandt it burns
u loopt you walk

Als je achter het werkwoord staat en vervangen kan worden door jij, schrijven we alleen de stam.
If je is standing behind the verb and can be replaced by jij, we only write the stem.

Voorbeeld:
jij geeft geef je? geef jij?
jij loopt loop je? loop jij?
jij vindt vind je? vind jij?
jij hoort hoor je? hoor jij?

Let op:
Als je hetzelfde betekend als jouw (je hoort dan bij een zelfstandig naamwoord), dan mag je de stam niet gebruiken!
If je means jouw (it belongs to the noun in that case) you mustn’t use the stem.

Voorbeeld:

ren je? Maar: rent je broer? je= jouw
Do you run? Does your brother run?
vind je? Maar: vindt je zus dat ook? je= jouw
Do you think so? Does your sister think so,too?