Het voltooid deelwoord perfect

Het voltooid deelwoord kan eindigen op –t, -d of –en.

Zwakke werkwoorden:

Stam eindigt op kofschip of x schrijf een –t
werken (work) gewerkt
blaffen (bark) geblaft
rusten (rest) gerust
fietsen (bike /cycle) gefietst

Het eindigt op een –d als de stam niet eindigt op kofschip of x:
noemen (call) genoemd
branden (burn) gebrand
horen (hear) gehoord
vertellen (tell) verteld
reizen (travel) gereisd

Sterke of onregelmatige werkwoorden (strong /irregular verbs) eindigen meestal op –en.
lopen (walk) gelopen
slapen (sleep) geslapen
zwemmen (swim) gezwommen

Een voltooid deelwoord begint meestal met ge-.
Werkwoorden die beginnen met ge-, be-,ver-,er-,her-,ont,- krijgen geen ge-!
gebruiken (use) gebruikt
betalen (pay) betaald
verdienen (earn) verdiend
ervaren (experience) ervaren
herdenken (remember) herdacht
ontmoeten (meet) ontmoet
Bij werkwoorden die beginnen met de voorzetsels: op-,aan-,uit-, binnen-, door-, weg,in-,voor-, over- en af staat de –ge- na het voorzetsel:
opruimen (tidy up) opgeruimd
aankleden (dress) aangekleed
uitgaan (go out) uitgegaan
binnenkomen(come in) binnengekomen
doorgaan (go on) doorgegaan
weglopen (run away) weggelopen
overgeven (throw up) overgegeven
afwassen (wash up) afgewassen
invullen (fill in) ingevuld
voorstellen (introduce oneself) voorgesteld
Most of these verbs are seperate (verb + preposition) in English, too!










Oefeningen

Vul het juiste voltooid deelwoord in:
(Words in bold are strong or irregular!)
luisteren (listen)
komen (come)
kloppen (be right)
wonen (live)
zijn (be)
hebben (have)
maken (make)
schrijven (write)
opschrijven (write down)
gebruiken (use)
opletten (pay attention)
vertellen (tell)
geven (give)
kunnen (can)
kennen (know)
lopen (walk)
zeggen (say)
werken (work)
mogen (may)
spreken (speak)
leren (learn)
proberen (try)
spelen (play)
vinden (find)
aankruisen (tick)
vertrekken (leave)
bellen (phone)
kijken (look)
zien (see)
weten (know)
dragen (wear /carry)
vergelijken (compare)
denken (think)
bekijken (look at)
ontbijten (have breakfast)
praten (talk)
ophouden (stop)
eten (eat)
uitgaan (go out) __